subscribe: Posts | Comments | Email

Bio-ethiek in vogelvlucht

0 comments

Op dinsdag 6 november 2012 verzorgde Biofides een uitzending bij Radio Maria België over bio-ethiek. Hoe kijken we tegen de ethische vragen aan rond beslissingen omtrent ons biologisch leven op alle niveaus: begin en einde van ons leven, onze seksualiteit, ons ecologisch bestaan? Op deze pagina de integrale tekst van een uitzending. Een introductie in de bio-ethiek aan de hand van vier thema’s:

  • het begin van het menselijk leven ofwel het menselijk embryo
  • de seksualiteit bij de mens
  • het levenseinde van de mens
  • menselijke ecologie

Gebruik van deze tekst alleen na schriftelijke toestemming. Uw vragen of opmerkingen zijn welkom op biofides@gmail.com.

(more…)


Geloof en geneeskunde

0 comments

In onze maandelijkse uitzending bij Radio Maria België gingen we het in oktober 2012 in op de relatie tussen ons geloof en de geneeskunst. We bezien de medische wetenschap tegen de achtergrond van de wetenschap in de westerse wereld in het algemeen, de filosofische uitgangspunten waarop wetenschap en dus ook de geneeskunst wordt bedreven en de plaats daarin van God, geloof, geest, de onsterfelijke ziel van de mens. Vervolgens bekijken we de zaak vanuit het geloof om te komen tot enkele gedachten over de medische ethiek. Ten slotte stellen we ons de vraag hoe wij vandaag in een wereld die leeft ‘alsof God niet bestaat’ opnieuw de geneeskunde in een gelovig kader kunnen beleven, geïnspireerd door het Jaar van het Geloof dat op handen is, en welke uitdaging er ligt in termen van ‘Nieuwe Evangelisatie’. Klik op ‘more’ om de uitzending te beluisteren en/of de tekst te downloaden. Uw reacties zijn welkom op biofides@gmail.com. Indien u ons werk steun, overweegt u dan een (periodieke) gift. Dank u! 

(more…)


De opstanding van Jezus als historisch feit

0 comments

auferstehungHet geloof dat Jezus werkelijk dood was en letterlijk verrezen is, is veruit het lastigste geloofspunt vanuit de biologie bezien, maar toch de meest redelijke verklaring van de historische feiten. Dat je lijkt een mythe te zijn? Hier zijn een paar nadenken stemmende argumenten. Duitstalige podcast van Dr. Johannes Hartl, theoloog Ausburg.

(more…)


‘The Genesis of Science’: Hoe de Christelijke Middeleeuwen de Wetenschappelijke Revolutie op gang brachten.

0 comments

genesisofscienceJames Hannam, een wetenschapshistoricus, gespecialiseerd in de relatie tussen wetenschap en christendom in de Middeleeuwen en de vroege Moderne tijd,  heeft een fascinerend boek geschreven over hoe de Middeleeuwse wereld de fundamenten gelegd heeft voor moderne wetenschap. Veel mythes worden ontmaskerd in een zeer leesbaar boek, dat eerder, in 2009, op de markt kwam onder de titel ‘God’s Philosophers’ (‘Gods filosofen’, ook in het Nederlands verkrijgbaar).  

(more…)


Hebben menselijke klonen een ziel?

Comments Off on Hebben menselijke klonen een ziel?

721px-Cloning_diagram_english.svgHebben menselijke klonen een ziel? Tim Stapels, apologeet bij ‘Catholic Answers’ (San Diego, Californië) geeft antwoord op een vraag gesteld tijdens het dagelijkse radioprogramma ‘Catholic Answers Live’. Bekijk de Engelstalige video (5:12 min.).

(more…)


Voorkomt de pil alleen maar conceptie?

0 comments

Pilule_contraceptiveIs de anticonceptiepil slechts een middel dat conceptie voorkomt of doet hij meer. Tim Staples, apologeet bij ‘Katholieke Antwoorden’ in San Diego Californië, behandelt deze vraag tijdens een dagelijks radioprogramma waar luisteraars hun vragen kunnen stellen over alles wat met katholiek geloof te maken heeft, inclusief ethische kwesties. Hij gaat in op de definities die in de medische wereld gehanteerd worden voor conceptie en implantatie van een menselijke vrucht.

Bekijk de video (6 min.)

(more…)


De Katholieke Catechismus over de Schepping

0 comments

creation

Wat zegt de katholieke kerk over het ontstaan van de zichtbare wereld? We kunnen daarvoor te rade gaan bij het geloofsboek van de katholieke kerk, de katholieke catechismus, een samenvatting van het gehele geloof van de kerk. Dit boek is uitgegeven in 1997 en geeft ons dus een recent beeld van hoe de Katholieke Kerk over dit onderwerp spreekt. De tekst die nu volgt is te vinden in het eerste van de vier delen van de catechismus dat handelt over de geloofsbelijdenis, dus de uiteenzetting van de inhoud van het katholiek-christelijke geloof.

1. God de Vader, schepper van hemel en aarde

Het eerste hoofdstuk van dat eerste deel van de catechismus gaat over het geloof in ‘God de Vader’. In artikel 1 gaat het dan meer specifiek over ‘de schepper van hemel en aarde’. Paragraaf 4 daarvan zegt:

279. “In het begin schiep God de hemel en de aarde” (Gen. 1, 1). Deze plechtige woorden staan aan het begin van de heilige Schrift. De geloofsbelijdenis neemt deze woorden weer op door God de almachtige Vader te belijden als “de Schepper van hemel en aarde”, “van al wat zichtbaar en onzichtbaar is” (Geloofsbelijdenis). Wij zullen daarom eerst spreken over de Schepper, vervolgens over zijn schepping en tenslotte over de zondeval. Hieruit is Jezus Christus, de Zoon van God, ons komen verlossen.

280. De schepping is het fundament van alle “heilzame raadsbesluiten van God”, “het begin van de heilsgeschiedenis”, die haar hoogtepunt heeft in Christus. Omgekeerd werpt het mysterie van Christus een beslissend licht op het mysterie van de schepping; het openbaart het doel met het oog waarop “God in het begin de hemel en de aarde schiep” (Gen. 1, 1) : vanaf het begin stond God de heerlijkheid van de nieuwe schepping in Christus voor ogen.

2. Schepping

Wat verstaat de katholieke kerk onder ‘schepping’ en hoe verhoudt zich dat tot de natuurweteschappelijke kijk op de kosmos en het leven? De catechismus stelt:

282. De catechese over de schepping is van kapitaal belang. Ze betreft de grondslagen zelf van het menselijk en christelijk leven: ze formuleert immers uitdrukkelijk het antwoord van het christelijk geloof op de elementaire vraag die mensen van alle tijden zich gesteld hebben: “Waar komen wij vandaan?” “Waar gaan wij heen?” “Wat is onze oorsprong?” “Wat is het doel?” “Waar komt alles wat bestaat vandaan en waar gaat het heen?” De twee vragen betreffende oorsprong en doel zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze zijn beslissend voor de zin en de richting van ons leven en handelen.

283. De vraag naar de oorsprong van de wereld en van de mens is het onderwerp van talrijke wetenschappelijke onderzoekingen die op schitterende wijze onze kennis omtrent de ouderdom en de dimensies van de kosmos, het ontstaan van de vormen van leven, het verschijnen van de mens verrijkt hebben. Deze ontdekkingen nodigen ons uit de grootheid van de Schepper des te meer te bewonderen, Hem dank te zeggen voor al zijn werken en voor het inzicht en de wijsheid die Hij wetenschappers en onderzoekers schenkt. Met Salomo kunnen dezen zeggen: “Hij zelf immers heeft mij gegeven betrouwbare kennis van wat bestaat, zodat ik de bouw ken van het heelal en de kracht van de elementen (…) want de wijsheid, de maakster van alles, heeft mij onderricht” (Wijsh. 7, 17-21).

284. De grote belangstelling die aan deze onderzoekingen wordt besteed, wordt nog sterk aangewakkerd door een kwestie van een andere orde, die het eigenlijke gebied van de natuurwetenschappen overstijgt. Het gaat er niet alleen om te weten, wanneer en hoe de kosmos feitelijk ontstaan is, noch wanneer de mens verschenen is, maar het gaat er veeleer om, te ontdekken wat de zin van een dergelijke oorsprong is: of dit ontstaan beheerst wordt door toeval, een blind lot, een anonieme noodzaak, of door een transcendent, intelligent en goed wezen, God genaamd. En als de wereld voortkomt uit de wijsheid en de goedheid van God, waarom is er dan het kwaad? Waar komt dit vandaan? Wie is er verantwoordelijk voor? Bestaat er een bevrijding van dit kwaad?

285. Vanaf het allereerste begin is het christelijk geloof betreffende de kwestie van de oorsprong geconfronteerd met antwoorden die afweken van het eigen antwoord. Zo vindt men in de oude godsdiensten en culturen talrijke mythen die betrekking hebben op de oorsprong. Sommige filosofen hebben gezegd dat alles God is, dat de wereld God is, of dat de wording van de wereld de wording van God is (pantheïsme): anderen hebben gezegd dat de wereld een noodzakelijke emanatie van God is, die uit deze bron stroomt en er weer naar terugkeert; weer anderen hebben het bestaan aangenomen van twee eeuwige beginselen, goed en kwaad, licht en duisternis, die in een voortdurende strijd gewikkeld zijn met elkaar (dualisme, manicheïsme); volgens enkele van deze opvattingen zou de wereld (althans de materiële wereld) slecht zijn, voortgekomen uit verval, een wereld die men dus dient af te wijzen of waaraan men voorbij moet gaan (gnosis); anderen geven toe dat de wereld door God geschapen is, maar op de manier van een horlogemaker die, toen hij haar eenmaal gemaakt had, haar aan haar lot overgelaten zou hebben (deïsme); anderen tenslotte, aanvaarden geen enkel transcendent beginsel van de wereld, maar zien er louter het spel in van een materie die altijd bestaan zou hebben (materialisme). Al deze pogingen getuigen van de bestendigheid en de universaliteit van de vraag naar de oorsprong. Dit zoeken is eigen aan de mens.

286. Het menselijk verstand heeft zeker het vermogen reeds een antwoord op de vraag naar de oorsprong te vinden. Het bestaan van God de Schepper kan immers met zekerheid gekend worden door zijn werken, dankzij het licht van de menselijke rede, zelfs al wordt deze kennis dikwijls verduisterd en vervormd door dwaling. Daarom komt het geloof het verstand versterken en verlichten in het juiste begrip van deze waarheid: “Geloof doet ons zien dat het heelal tot stand is gekomen door Gods woord, zodat het zichtbare ontstaan is uit het onzichtbare” (Heb. 11, 3).

287. De waarheid van de schepping is zo belangrijk voor het hele menselijke leven, dat God in zijn liefde, aan zijn volk alles heeft willen openbaren wat met betrekking hiertoe heilzaam is te kennen. Buiten de kennis die iedere mens van nature over de Schepper kan hebben, heeft God aan Israël het mysterie van de schepping geleidelijk geopenbaard. Hij die de aartsvaders uitverkoren heeft, die Israël uit Egypte heeft laten vertrekken en die door zijn verkiezing Israël geschapen en gevormd heeft, openbaart zich als degene aan wie alle volken van de aarde en heel de aarde toebehoren, als degene die als enige “de hemel en de aarde gemaakt heeft” (Ps. 115, 15; Ps. 124, 8; Ps. 134, 3).

289. Onder alle woorden van de heilige Schrift over de schepping nemen de eerste drie hoofdstukken van Genesis een unieke plaats in. Literair gezien kunnen deze teksten verschillende bronnen hebben. De geïnspireerde auteurs hebben ze aan het begin van de Schrift geplaatst, zodat ze in hun plechtig taalgebruik de waarheden over de schepping, haar oorsprong en haar doel in God, haar ordening en haar goedheid, de roeping van de mens en tenslotte het drama van de zonde en de heilsverwachting, verwoorden. Gelezen in het licht van Christus blijven deze woorden, binnen de eenheid van de heilige Schrift en binnen de levende Overlevering van de Kerk, de belangrijkste bron voor de catechese over de mysteries “van het begin”: schepping, zondeval en heilsbelofte.

3. Het mysterie van de schepping

1. God schept in wijsheid en liefde.

295. Wij geloven dat God de wereld heeft geschapen overeenkomstig zijn wijsheid. Ze is niet het product van een of andere noodzaak, van een blind lot of van het toeval. Wij geloven dat ze voortkomt uit de vrije wilsbeschikking van God, die de schepselen heeft willen laten delen in zijn wezen, wijsheid en goedheid. “Want Gij hebt het heelal geschapen: door uw wil ontstond het en werd het gemaakt” (Apok. 4, 11). “Hoeveel is het wat Gij gedaan hebt, Heer, en alles in wijsheid gemaakt” (Ps. 104, 24). “De Heer is bezorgd voor iedere mens, barmhartig voor al wat Hij maakte” (Ps. 145, 9).

2. God schept “uit het niet”

296. Wij geloven dat God geen behoefte heeft aan iets wat tevoren al bestond, noch aan enige hulp om te scheppen. De schepping is evenmin een noodzakelijk voortvloeisel (emanatie) van de goddelijke substantie. God schept in vrijheid “uit het niet”. Wat voor buitengewoons zou het geweest zijn, als God de wereld had geschapen uit materie die tevoren bestond? Als men een menselijk vakman materiaal geeft, dan maakt hij daarvan wat hij maar wil. Gods macht wordt echter hierin zichtbaar dat Hij uit het niet schept wat Hij maar wil.

297. De Schrift getuigt van het geloof in de schepping “uit het niet” als een waarheid vol belofte en hoop. Zo moedigt de moeder haar zeven zonen aan tot het martelaarschap: “Ik weet niet hoe jullie in mijn schoot gevormd zijn; niet ik heb jullie de levensadem geschonken, niet ik heb de bestanddelen waaruit ieder van jullie bestaat, tot een harmonisch geheel geordend, maar de Schepper van de wereld: Hij bewerkt het ontstaan van de mens, zoals Hij van alles de oorsprong is. Hij zal jullie in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven, omdat jullie omwille van zijn wet jezelf nu niet spaart (…). Ik smeek je, mijn kind, beschouw de hemel en de aarde met al wat ze bevatten en bedenk dat God dit alles uit het niet gemaakt heeft en dat ook het menselijk geslacht op dezelfde wijze is ontstaan”. (2 Makk. 7, 22-23.28).

298. Aangezien God uit het niet kan scheppen, kan Hij ook door de heilige Geest het leven van de ziel geven aan de zondaars door in hen een zuiver hart te scheppen en het leven van het lichaam aan de gestorvenen door de verrijzenis, Hij “die de doden levend maakt en wat niet bestaat in het aanzijn roept” (Rom. 4, 17). En aangezien Hij door zijn woord het licht in de duisternis heeft kunnen laten schijnen, kan Hij ook het licht van het geloof geven aan hen die het niet kennen.

3. God schept een geordende en goede wereld

299. Als God met wijsheid schept, dan is de schepping geordend: “Maar Gij hebt alles naar maat en getal en gewicht geordend” (Wijsh. 11, 20). Geschapen in en door het eeuwig Woord, “beeld van de onzichtbare God” (Kol. 1, 15), is ze bestemd voor en gericht op de mens als beeld van God, 10 zelf geroepen tot een persoonlijke band met God. Ons verstand kan, omdat het deel heeft aan het licht van het goddelijk intellect, begrijpen wat God ons zegt door zijn schepping, maar enkel met een grote inspanning en in een geest van nederigheid en respect ten opzichte van de Schepper en zijn werk. Voortgekomen uit de goddelijke goedheid heeft de schepping deel aan deze goedheid. De schepping is immers door God gewild als een geschenk aan de mens, als een erfenis die voor hem is bestemd en aan hem is toevertrouwd. De kerk heeft herhaaldelijk moeten verdedigen dat de schepping, de materiële wereld inbegrepen, van nature goed is.

4. God overtreft de schepping en Hij is erin tegenwoordig

300. God is oneindig veel groter dan al zijn werken. “Hoger dan de hemel reikt uw majesteit” (Ps. 8, 2), “zijn grootheid is niet te doorgronden” (Ps. 145, 3). Maar omdat Hij de hoogste en vrije Schepper is, eerste oorzaak van al wat bestaat, is Hij in het diepste innerlijk van zijn schepselen aanwezig. “Want door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn” (Hand. 17, 28). Volgens de woorden van de heilige Augustinus is Hij “dieper dan mijn diepste innerlijk en hoger dan het hoogste van mij”.

5. God houdt de schepping in stand en draagt haar

301. Bij de schepping laat God zijn schepsel niet aan zichzelf over. Hij geeft het niet alleen het zijn en het bestaan, maar Hij houdt het ook in stand op elk ogenblik van zijn bestaan. Hij geeft het de mogelijkheid om te handelen en brengt het naar zijn doel. Het erkennen van onze volledige afhankelijkheid van de Schepper is een bron van wijsheid en vrijheid, van vreugde en vertrouwen.

Want alles wat bestaat hebt Gij lief en Gij verafschuwt niets van wat Gij gemaakt hebt; ja, als Gij iets gehaat hadt, zoudt Gij het niet geschapen hebben. En hoe zou iets in stand zijn gebleven, als Gij het niet gewild hadt, of hoe zou iets behouden zijn, dat door U niet was geroepen? Gij spaart echter alles, omdat het van U is, Gij Heer, die al wat leeft bemint (Wijsh. 11, 24-26).

4. God voorziet

302. De schepping heeft haar eigen goedheid en volmaaktheid, maar ze is niet geheel voltooid uit de handen van de Schepper gekomen. Ze is geschapen in een staat van op-weg-zijn (“in statu viae”) naar een nog te verwachten, uiteindelijke voltooiing, waartoe God haar bestemd heeft. Wij noemen de beschikkingen waarmee God zijn schepping naar deze volmaaktheid leidt, goddelijke voorzienigheid.

303. Het getuigenis van de Schrift is unaniem in deze: de zorg van de goddelijke voorzienigheid is “concreet” en “onmiddellijk”; zij zorgt voor alles, van de kleinste dingen tot de grote gebeurtenissen in de wereld en de geschiedenis. De Schrift bevestigt met klem de absolute soevereiniteit van God in de loop van de gebeurtenissen: “De God van Israël is in de hemel, Hij handelt zoals Hij verkiest” (Ps. 115, 3); en van Christus wordt gezegd: “Als Hij opent, sluit niemand en als Hij sluit, opent niemand” (Apok. 3, 7); “In het hart van een man gaan veel plannen om, maar wat Jahwe besluit, dat komt tot stand” (Spr. 19, 21).

306. God is de soevereine Meester van zijn heilsplan. Maar om dit te verwezenlijken bedient Hij zich ook van de medewerking van zijn schepselen. Dit is geen teken van de zwakheid, maar van de grootheid en de goedheid van de almachtige God. Want God schenkt zijn schepselen niet alleen het bestaan, maar ook de waardigheid zelf te handelen, elkaars oorzaak en grondbeginsel te zijn en zo mee te werken aan de voltooiing van zijn heilsplan.

308. Met het geloof in God de Schepper is onlosmakelijk de waarheid verbonden dat God in elk handelen van zijn schepselen handelt. Hij is de eerste oorzaak die in en door de tweede oorzaken werkzaam is: “God is het immers die zowel het willen als het doen bij u tot stand brengt om zijn heilsplan te verwezenlijken” (Fil. 2, 13) Door deze waarheid wordt de waardigheid van het schepsel verre van verminderd, integendeel, ze verleent haar meer luister Door de macht, de wijsheid en de goedheid van God uit het niet geschapen, kan het schepsel niets, als het van zijn oorsprong is afgesneden, want “zonder de Schepper verzinkt het schepsel in het niet”; 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36. §3, vert. uit Lat. en nog minder kan het zijn uiteindelijk doel bereiken zonder de hulp van de genade

5. Hemel en aarde

In paragraaf vijf wordt ingegaan op het begrip ‘hemel en aarde’; immers: God heeft niet alleen de zichtbare werkelijkheid geschapen zo gelooft de Kerk, ‘maar ook de wereld van de engelen’. In het tweede deel van deze paragraaf komen we dan uit bij het thema dat ook de evolutietheorie aangaat: de zichtbare wereld.

6. De zichtbare wereld

337. Het is God zelf die de zichtbare wereld, in al haar rijkdom, diversiteit en orde, geschapen heeft. De Schrift stelt het werk van de Schepper symbolisch voor als een opeenvolging van zes dagen van goddelijke “werkzaamheid” die eindigen met de “rust” van de zevende dag (Gen. 1, 1 – 2, 4). De gewijde tekst leert met betrekking tot de schepping waarheden, die door God voor ons heil geopenbaard zijn en die het mogelijk maken “het innerlijk wezen en de waarde van heel de schepping en haar gerichtheid op Gods eer te kennen” (Lumen Gentium 36).

338. Er bestaat niets wat zijn bestaan niet te danken heeft aan God als Schepper. De wereld is begonnen, op het moment dat ze door het woord van God uit het niet geschapen is; alle bestaande wezens, heel de natuur, heel de menselijke geschiedenis wortelen in deze oergebeurtenis: het is de geboorte zelf van de wereld zelf waarbij deze gevormd wordt en de tijd begonnen is.

339. Ieder schepsel heeft zijn eigen goedheid en volmaaktheid. Bij elk van de werken van de “zes dagen” wordt gezegd: “En God zag dat het goed was”. “Krachtens de aard van de schepping zelf bezitten de dingen hun eigen bestaan, hun waarheid en goedheid, hun eigen wetten en orde” (Gaudium et spes 36). De verschillende schepselen, volgens hun eigen wezen gewild, weerspiegelen op hun eigen wijze de oneindige wijsheid en goedheid van God. Daarom moet de mens de eigen goedheid van elk schepsel respecteren om een ongeordend gebruik van de dingen te vermijden, hetgeen een minachting van de Schepper is en rampzalige gevolgen met zich meebrengt voor de mens en zijn milieu.

340. De onderlinge afhankelijkheid van de schepselen is door God gewild. De zon en de maan, de ceder en het bloempje, de adelaar en de mus: het schouwspel van hun oneindige verscheidenheid en ongelijkheid betekent dat geen enkel schepsel aan zichzelf genoeg heeft. Zij bestaan slechts in onderlinge afhankelijkheid om elkaar wederzijds aan te vullen, ten dienste van elkaar.

341. De schoonheid van het heelal: de orde en de harmonie van de geschapen wereld volgen uit de verscheidenheid van de wezens en hun onderlinge verhouding. De mens ontdekt deze geleidelijk als natuurwetten. Die doen de geleerden verwonderd staan. De schoonheid van de schepping weerspiegelt de oneindige schoonheid van de Schepper. Zij moet inspireren tot respect en onderwerping van het verstand en de wil van de mens.

342. De hiërarchie onder de schepselen wordt uitgedrukt door de volgorde in de “zes dagen” die gaat van het minder naar het meer volmaakte. God bemint al zijn schepselen 5 en Hij zorgt voor ieder van hen, zelfs voor de mussen. Niettemin zegt Jezus: “Gij zijt meer waard dan een zwerm mussen” (Lc. 12, 7), of ook: “Wat betekent nu een schaap vergeleken bij een mens?” (Mt. 12, 12).

343. De mens is het hoogtepunt van het werk van de schepping. Het geïnspireerde verhaal brengt dit tot uitdrukking door de schepping van de mens duidelijk te onderscheiden van die van de andere schepselen. (Genesis 1, 26)

344. Er bestaat een solidariteit onder alle schepselen op grond van het feit dat ze alle dezelfde Schepper hebben en dat alle geordend zijn om Hem te verheerlijken.

Geprezen zijt Gij, Heer, met al uw schepselen
vooral zuster zon, die de dag is, en door wie Gij ons verlicht.
En zij is schoon en stralend met grote glans:
van U, Allerhoogste, is zij het zinnebeeld…
Geprezen zijt Gij, mijn Heer, om zuster water,
die zeer nuttig en nederig en kostbaar en rein is…
Geprezen zijt Gij, mijn Heer, om onze zuster, moeder aarde,
die ons onderhoudt en voedt
en verscheidene vruchten voortbrengt
samen met kleurrijke bloemen en gras.
Prijst en zegent de Heer en dankt Hem
en dient Hem in grote nederigheid.
(Sint Franciscus’ Zonnelied)

345. De sabbat – einde van de werkzaamheid van de “zes dagen”. De gewijde tekst zegt dat “God op de zevende dag het werk dat Hij verricht had, tot voltooiing bracht” en dat zo “de hemel en de aarde voltooid werden” en dat God op de zevende dag “rustte”: en dat Hij deze dag zegende en hem heilig maakte (Gen. 2, 1-3). Deze geïnspireerde woorden zijn rijk aan heilzaam onderricht:

346. In de schepping heeft God een fundament en duurzame wetten gelegd, waarop de gelovige vol vertrouwen kan steunen en die voor hem het teken en het onderpand zullen zijn van de onwankelbare betrouwbaarheid van Gods verbond. Van zijn kant zal de mens trouw moeten blijven aan dit fundament en zal hij de wetten die God daarin geschreven heeft, moeten respecteren.

347. De schepping is met het oog op de sabbat, en dus op de eredienst en de aanbidding van God, tot stand gebracht. De eredienst staat in de orde van de schepping geschreven. 10 “Niets boven Gods eredienst stellen” zegt de regel van de heilige Benedictus, waarmee de juiste volgorde van de menselijke beslommeringen aangegeven wordt.

348. De sabbat staat in het middelpunt van de Wet van Israël. Het onderhouden van de geboden is beantwoorden aan de wijsheid en de wil van God, zoals die tot uitdrukking komen in zijn scheppingswerk.

349. De achtste dag. Maar voor ons is een nieuwe dag opgegaan: de dag van Christus’ verrijzenis. De zevende dag voltooit de eerste schepping. Op de achtste dag begint de nieuwe schepping. Zo vindt het scheppingswerk zijn hoogtepunt in het grotere werk van de verlossing. De eerste schepping vindt haar betekenis en haar hoogtepunt in de nieuwe schepping in Christus, waarvan de glans die van de eerste overtreft.

7. De mens

“En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hem” (Gen. 1, 27). De mens heeft een unieke plaats in de schepping: hij is “als het beeld van God” (I); in zijn eigen wezen verenigt hij de geestelijke en de stoffelijke wereld (II); hij is geschapen “man en vrouw”; (III); God heeft hem in zijn vriendschap aangenomen (IV).

I. Als beeld van God

356. Van alle zichtbare schepselen is alleen de mens in staat zijn Schepper te kennen en lief te hebben;” 1 hij is “het enig schepsel op aarde dat om zichzelf door God is gewild”. 2 hij alleen is geroepen door kennis en liefde te delen in het leven van God. Hij is met dit doel geschapen en dit is de diepste grond van zijn waardigheid.

357. Omdat het menselijk individu is als het beeld van God, heeft het de waardigheid van een persoon: hij is niet alleen iets, maar ook iemand. Hij is in staat zichzelf te kennen, zichzelf te bezitten en zichzelf in vrijheid te geven en in contact te treden met andere personen, en hij is door genade geroepen tot een verbond met zijn Schepper, om aan Hem een antwoord van geloof en liefde te geven, dat niemand in zijn plaats kan geven.

II. “Eén naar lichaam en ziel”

362. De menselijke persoon, geschapen naar Gods beeld, is tegelijkertijd een lichamelijk en een geestelijk wezen. Het bijbelverhaal brengt deze werkelijkheid tot uitdrukking in een symbolisch taalgebruik, wanneer het zegt: “God boetseerde de mens uit stof, van de aarde genomen en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen.” (Gen. 2, 7) De mens is dus in zijn geheel door God gewild.

363. Dikwijls staat de term “ziel” in de heilige Schrift voor “het menselijk leven” of voor heel de menselijke persoon. Maar hij geeft ook aan wat het diepste wezen van de mens en het meest waardevolle in hem, en eveneens datgene waardoor hij in het bijzonder Gods beeld is: “ziel” betekent het geestelijk beginsel in de mens.

364. Het lichaam van de mens heeft deel aan de waardigheid van “het beeld van God”: het is een menselijk lichaam; juist omdat het bezield wordt door een geestelijke ziel en het de menselijke persoon die in zijn geheel bestemd is om in het lichaam van Christus de tempel van de Geest te worden: Als een eenheid van lichaam en ziel verenigt de mens in zich, juist door zijn lichamelijkheid, de elementen van de stoffelijke wereld, zodat deze door hem hun hoogtepunt bereiken en hun stem verheffen om in vrijheid de Schepper te prijzen. De mens mag dus zijn lichamelijk leven niet minachten, integendeel, hij moet zijn lichaam als door God geschapen en door Hem bestemd voor de verrijzenis op de laatste dag, waarderen en eerbiedigen.

365. De eenheid van lichaam en ziel gaat zo diep dat men de ziel als de “vorm” van het lichaam moet beschouwen, d.w.z. dankzij de geestelijke ziel is het uit stof bestaande lichaam een menselijk en levend lichaam; geest en stof zijn in de mens geen twee met elkaar verenigde naturen, maar hun eenheid vormt een natuur.

366. De Kerk leert dat iedere geestelijke ziel direct door God geschapen wordt: zij wordt niet “voortgebracht” door de ouders; de Kerk leert ons ook dat de ziel onsterfelijk is: zij vergaat niet na haar scheiding van het lichaam bij de dood en zij zal zich opnieuw met het lichaam verenigen bij de uiteindelijke verrijzenis.

367. Soms blijkt de ziel onderscheiden te worden van de geest. Zo bidt de heilige Paulus dat ons “hele wezen, geest, ziel en lichaam, moge ongerept bewaard zijn bij de komst van onze Heer” (1 Tess. 5, 23). De Kerk leert dat dit onderscheid geen dualiteit in de ziel invoert.

368. De geestelijke traditie van de Kerk legt ook de nadruk op het hart in de bijbelse zin van “binnenste” (Jer. 31, 33), waar de mens wel of niet voor God kiest.

Conclusie

Schepping is iets dat met God van doen heeft, een transcendent, boven de natuur staande, eeuwige, persoonlijke god. UIt het niets doet hij de zichtbare werkelijkheid ontstaan. De Bijbel schrijft daarover in beeldrijke taal. We hoeven het verhaal van de schepping in zes dagen van de katholieke kerk niet letterlijk te nemen, maar mogen het symbolisch begrijpen. Hierin wijkt het standpunt van de katholieke kerk dus duidelijk af van dat van de creationisten. Die schepping is niet louter door toeval ontstaan: er is sprake van wijsheid waarin deze geschapen is, ordening, schoonheid, in ontwikkeling, gericht op een doel. De mens geldt als ‘beeld van God’ als hoogtepunt van die schepping, niet iets maar iemand, met een onsterfelijke ziel.

Biofides, 14 mei 2009

Bron: rkdocumenten.nl


Congres in Rome: Evolutietheorie en scheppingsgeloof gaan samen

0 comments

P1060039Rome (Biofides) – Er zijn van die momenten in je leven dat je als bioloog en katholiek christen even ‘uit je dak’ gaat en zo’n moment was het congres Biologische Evolutie: feiten en theorieën, gehouden van 3 tot 7 maart jl. aan de Pauselijke Universiteit ‘Gregoriana’ te Rome. Topwetenschappers, filosofen en theologen uit de gehele wereld verzamelden zich om zich over de meest recente ontwikkelingen in de wetenschap en het gelovig denken over evolutie en schepping te buigen. Twee universiteiten stonden garant voor de wetenschappelijke kwaliteit: bovengenoemde Romeinse en de Notre Dame University in et Amerikaanse Indiana. En dat alles stevig ondersteund door het Vaticaan, in het bijzonder de Pauselijke Raad voor de Cultuur en de Congregatie van de Geloofsleer. Eén ding werd in elk geval opnieuw duidelijk: dat de katholieke kerk geen angst heeft voor wetenschappelijke inzichten en van harte bereid is om met de modernste wetenschappelijke inzichten geconfronteerd te worden. Ook als dat zou betekenen dat de mens toch van de aap afstamt.

(more…)


Geloof, rede en de universiteit – Paus Benedictus XVI in Regensburg

0 comments

Paus Benedictus XVI

Op 12 september 2006 verzorgde paus Benedictus XVI een lezing getiteld “Geloof, rede en de universiteit – Herinneringen en reflecties”, bij een ontmoeting met vertegenwoordigers uit de wetenschap in de Aula Magna van de Universiteit van Regensburg, waar hij als professor en vice-rector aan verbonden is geweest en als ere-doctor nog is. de toespraak kaderde in een pastorale reis die de Duitse paus aan zijn ‘heimat’ Beieren bracht in dat jaar.

Door het citeren van een de geleerde byzantijnse keizer Manuel II, die in een dialoog in de 14e eeuw met een moslim uit Perzië op een “verbazingwekkend botte”, volgens paus Benedictus, “de centrale vraag naar de verhouding tussen godsdienst en geweld” aan de orde stelt. In dat citaat spaart de (christelijke) keizer de keizer niet de profeet Mohammed niet. Mohammed heeft, aldus de keizer, het geloof “voorgeschreven” en “met het zwaard verbreid”. Uit zijn context gehaald gaat het citaat de wereld over en geeft aanleiding tot zeer heftige reacties uit moslimlanden, met geweld en waarbij doden vallen. 

Paus Benedictus zegt daarover na terugkeer in Rome: “Dit citaat heeft zich helaas ervoor kunnen lenen om verkeerd begrepen te worden. Voor de aandachtige lezer van mijn tekst is het echter helder dat ik mij op geen enkele wijze de negatieve woorden heb willen eigen maken die door de middeleeuwse keizer in deze dialoog zijn uitgesproken, en dat hun polemische inhoud niet mijn persoonlijke overtuiging uitdrukt. Mijn bedoeling was een geheel andere: Uitgaande van wat Manuel II daaraanvolgend op positieve wijze en in heel mooie bewoording zegt over de redelijkheid die de overdracht van het geloof moet leiden, wilde ik uitleggen dat niet godsdienst en geweld, maar godsdienst en rede samengaan”.

Hier volgt de tekstvan de redevoering integraal, hier ook in het Duits te beluisteren.

Eminenties,
Rectoren Magnifici,
Excellenties,
geachte dames en heren!

Het is voor mij een ontroerend moment nog een keer aan de universiteit te zijn en nog een keer een college te mogen geven. Mijn gedachten gaan daarbij terug naar die jaren waarin ik, na een mooie periode aan de Freisinger Hochschule, aan het werk ben gegaan als academisch docent aan de Universiteit van Bonn. Het was toen, in 1959, nog de tijd van de oude “Ordinarien-Universität”, de universiteit van de hoogleraren. Voor de diverse leerstoelen waren er nog geen assistenten noch secretariaten, maar in plaats daarvan was er sprake van een heel directe ontmoeting met de studenten en vooral ook van de professoren met elkaar. Men trof elkaar vóór en na de colleges in de docentenkamers. De contacten met de historici, de filosofen, de filologen en natuurlijk ook tussen de beide theologische faculteiten waren heel levendig.

Ieder semester was er een zogenaamde Dies academicus, waarop professoren van alle faculteiten zich voorstelden aan de studenten van de hele universiteit, en waarop zo een beleving van Universitas mogelijk werd – waarnaar U, Rector Magnificus, zojuist ook verwezen hebt – de ervaring namelijk dat wij bij alle specialisaties, die ons soms sprakeloos voor elkaar maken, toch één geheel vormen en binnen het geheel van de ene rede werken, met al haar dimensies, en zo ook in een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid staan voor het juiste gebruik van de rede. Zo’n dag maakte het mogelijk dat te beleven.

De universiteit was zeer zeker ook trots op haar beide theologische faculteiten. Het was duidelijk dat ook zij, omdat zij naar de rede (de Vernunft) van het geloof vragen, een werk verrichten, dat noodzakelijk tot het geheel van de Universitas scientiarum behoort, ook al konden niet allen het geloof delen, waarvoor de theologen zich inspannen het onder te brengen onder de gemeenschappelijke rede. Deze onderlinge solidariteit binnen de kosmos van de rede werd ook niet verstoord, toen het een keer heette dat een van de collega’s had gezegd dat er iets merkwaardigs was aan onze universiteit: twee faculteiten die zich met iets bezighielden wat niet eens bestond: met God. Dat het ook tegenover een dergelijke radicale scepsis noodzakelijk en redelijk blijft met de rede naar God te vragen en het in samenhang te doen met de overlevering van het christelijk geloof, was in het geheel van de universiteit onomstreden.

Dit alles stond mij weer voor de geest, toen ik onlangs het door Professor Theodore Khoury (Münster) uitgegeven deel las van de dialoog die de geleerde byzantijnse keizer Manuel II Paleologos, waarschijnlijk in 1391 in het winterkamp bij Ankara, gehouden heeft met een ontwikkelde Pers – over Christendom en Islam en de waarheid van beide. De keizer heeft deze dialoog vermoedelijk tijdens de belegering van Constantinopel tussen 1394 en 1402 opgetekend; van daaruit is te begrijpen waarom zijn eigen uiteenzettingen veel uitvoeriger zijn weergegeven dan die van zijn Perzische gesprekspartner.De dialoog strekt zich uit over het gehele bereik van het door Bijbel en Koran beschreven geloofsgebouw, en draait vooral om het Gods- en mensbeeld, maar ook steeds weer noodzakelijkerwijs om de relatie van, zoals men zei, de “drie wetten”, of “drie ordeningen van het leven”: Oude Testament – Nieuwe Testament – Koran. Nu, in dit college, wil ik het daarover niet hebben, maar slechts één, in de opbouw van de gehele dialoog eerder marginaal punt aanraken, dat mij in samenhang met het thema “geloof en rede” geboeid heeft en dat voor mij als uitgangspunt dient voor mijn overwegingen bij dit thema.

In de door Professor Khoury uitgegeven zevende gespreksronde ( διάλεξις- of controverse) komt de keizer over het thema van de Djihād, van de heilige oorlog, te spreken. De keizer moet zeker geweten hebben, dat in Soera 2, 256 staat: “Er is geen dwang in godsdienst”. Het is een van de vroegere Soera’s uit de tijd dat, zoals ons een deel van de deskundigen zegt, Mohammed zelf nog machteloos was en bedreigd. Maar de keizer kende natuurlijk ook de in de Koran vastgelegde, later ontstane, bepalingen over de heilige oorlog. Zonder op details in te gaan als het verschil in behandeling van “hen die het Boek hebben” en de “ongelovigen” , richt hij zich in een verbazingwekkend botte, voor ons onaanvaardbaar botte vorm, zomaar met de centrale vraag naar de verhouding tussen godsdienst en geweld in het algemeen tot zijn gesprekspartner. Hij zegt: “Laat mij dan zien wat Mohammed voor nieuws heeft gebracht, en je zult er alleen maar iets slechts en onmenselijks vinden, zoals dit: dat hij voorgeschreven heeft, het geloof dat hij predikte met het zwaard te verbreiden”.Nadat hij zo heeft uitgehaald, verklaart de keizer vervolgens op indringende manier waarom geloofsverbreiding door geweld tegen alle zin indruist. Zij staat in tegenspraak met het wezen van God en met het wezen van de ziel. “God heeft geen welgevallen in bloed”, zegt hij, “en niet met de rede, niet σὺν λόγω, handelen, is strijdig met het wezen van God. Het geloof is vrucht van de ziel, niet van het lichaam. Wie dus iemand tot het geloof wil brengen, heeft de gave nodig van de goede rede en een juist denken, maar geen geweld en bedreiging … Om een redelijke ziel te overtuigen, heeft men niet zijn arm, geen wapentuig noch enig ander middel nodig, waarmee men iemand met de dood bedreigen kan….”.

De beslissende zin in deze argumentatie tegen bekering door geweld luidt: Niet met de rede handelen, is strijdig met het wezen van God. De uitgever, Theodore Khoury, geeft hierop als commentaar: Voor de keizer als een in de Griekse filosofie opgegroeide Byzantijn is deze zin evident. In de leer van de moslims daarentegen is God absoluut transcendent. Zijn wil is aan geen enkele van onze categorieën gebonden, zelfs al zou het die van de redelijkheid zijn. Khoury citeert daarbij een werk van de bekende Franse islamoloog R. Arnaldez, die erop wijst dat Ibn Hazm zelfs zo ver ging te verklaren, dat God ook niet aan zijn eigen woord gehouden is en dat niets Hem ertoe verplicht ons de waarheid te openbaren. Wanneer Hij het zou willen, zou de mens ook afgodendienst moeten bedrijven.
Hier komen we op een punt waar wegen uiteengaan wat betreft het begrip van God en daarmee wat betreft de concrete verwezenlijking van godsdienst, wat ons vandaag de dag op een heel directe manier uitdaagt. Is het alleen Grieks om te geloven dat handelen in strijd met de rede, strijdig is met het wezen van God, of is dat altijd en in zich zelf waar? Ik denk dat op dit punt de diepe overeenstemming zichtbaar wordt tussen wat in de beste betekenis van het woord Grieks is, en het op de Bijbel gebaseerde geloof in God.Johannes heeft de proloog van zijn Evangelie geopend met een variant op het eerste vers van Genesis, op het eerste vers van de Heilige Schrift als zodanig: “In het begin was het Woord, de Logos.” (Joh. 1, 1). Dit is precies het woord, dat de keizer gebruikt: “God handelt ‘σὺν λόγω’, met Logos.” Logos is rede en woord tegelijk – een rede, die scheppend is en zichzelf kan meedelen, maar juist als rede. Johannes heeft ons daarmee het afsluitende woord van het Bijbelse Godsbegrip geschonken, waarin al die dikwijls moeizame en kronkelige wegen van het Bijbelse geloof hun doel bereiken en hun synthese vinden. “In het begin was de Logos en de Logos is God“, zegt ons de evangelist (Joh. 1, 1). Het samenkomen van de Bijbelse boodschap en het Griekse denken was geen toeval. Het visioen van de heilige Paulus, die zijn wegen in Azië versperd zag en in een nachtelijk zicht een Macedoniër zag en hem hoorde roepen: Steek over naar hier en kom ons te hulp – dit visioen mag als verdichting uitgelegd worden van de van binnenuit noodzakelijke toenadering tussen Bijbels geloven en Grieks vragen.

Daarbij was deze toenadering allang aan de gang. De mysterievolle Godsnaam vanuit het brandende braambos, die deze God onderscheidt van de goden met de vele namen, en die van Hem eenvoudig het “Ik ben“, het bestaan uitspreekt, is een bestrijding van de mythe, waarmee de Socratische poging de mythe te overwinnen en te overstijgen in een innerlijke analogie staat. Het bij het brandende braambos begonnen proces komt binnen het Oude Testament tot een nieuwe rijpheid gedurende de ballingschap, waar de nu land- en eredienstloos geworden God van Israël zich openbaart als de God van hemel en aarde en zich voorstelt met de eenvoudige, het braamboswoord verder ontwikkelende formule: “Ik ben het”. Met dit nieuwe erkennen van God gaat ook een soort van verlichting hand in hand, die zich drastisch uitdrukt in het bespotten van de goden die slechts maakwerk van mensenhanden zijn.Zo gaat, bij alle scherpte van de tegenstelling met de hellenistische heersers die de aanpassing aan de Griekse leefwijze en aan hun godenverering wilden afdwingen, het Bijbelse geloof ten tijde van de hellenistische periode het beste van het Griekse denken van binnenuit tegemoet voor een wederzijdse aanraking, zoals deze zich met name in de late Wijsheidsliteratuur voltrokken heeft. Tegenwoordig weten we dat de in Alexandrië ontstane Griekse vertaling van het Oude Testament – de Septuaginta – meer is dan alleen een (en misschien zelfs weinig positief te beoordelen) vertaling van de Hebreeuwse tekst, namelijk een zelfstandige tekstgetuige en een eigen belangrijke stap in de openbaringsgeschiedenis, waarin zich deze ontmoeting gerealiseerd heeft op een manier die voor het ontstaan en de verspreiding van het Christendom een beslissende betekenis heeft gekregen.

Ten diepste gaat het daarbij om de ontmoeting tussen geloof en rede, tussen juiste verlichting en godsdienst. Het is in werkelijkheid vanuit het innerlijke wezen van het christelijke geloof en tegelijk vanuit het wezen van het Griekse dat zich met het geloof had samengesmolten, dat Manuel II heeft kunnen zeggen: “Niet ‘met de Logos’ handelen, is strijdig met het wezen van God”. Eerlijkheidshalve moet hierbij worden aangetekend dat zich in de late middeleeuwen tendensen hebben ontwikkeld in de theologie, die deze synthese van het Griekse en het christelijke doen springen.

Tegenover het zogenaamde augustijner en thomistische intellectualisme begint bij Duns Scotus een voluntaristische stellingname, die uiteindelijk in de verdere ontwikkelingen ertoe leidde te zeggen dat wij van God alleen Zijn voluntas ordinatakennen. Deze wordt overstegen door de vrijheid van God, krachtens welke Hij ook het tegendeel had kunnen maken en doen van alles wat Hij gedaan heeft. Hier tekenen zich stellingnamen af, welke die van Ibn Hazm zeker kunnen benaderen, en die zouden kunnen uitlopen op het beeld van een God van de willekeur, die zelfs niet aan de waarheid en het goede gebonden is. De transcendentie en het anders zijn van God worden zo sterk overdreven, dat ook onze rede en ons gevoel voor het ware en het goede geen werkelijke afspiegeling meer zijn van God, wiens onpeilbare mogelijkheden voor ons achter zijn daadwerkelijke besluiten voor eeuwig ontoegankelijk en verborgen blijven.

Hiertegenover heeft het kerkelijk geloof steeds eraan vast gehouden dat er tussen God en ons, tussen Zijn eeuwige Scheppergeest en onze geschapen rede, een werkelijke analogie bestaat, waarin weliswaar – zoals het 4e Lateraans Concilie in 1215 zegt – de verschillen oneindig groter zijn dan de overeenkomsten, maar juist de analogie en haar taal niet opgeheven zijn. God wordt er niet nog goddelijker door, wanneer we Hem van ons verwijderen in een louter en niet te doorzien voluntarisme, maar de waarachtig goddelijke God is de God, die zich als Logos heeft getoond en als Logos liefdevol voor ons gehandeld heeft. Zeker, de liefde “overstijgt”, zoals Paulus zegt, de kennis en kan daardoor meer waarnemen dan het loutere denken, maar zij blijft toch de liefde van God-Logos, waardoor christelijke godsdienst, zoals opnieuw Paulus zegt, ” λογικη λατρεßα ” is – godsdienst die in overeenstemming is met het eeuwige woord en met onze rede.

Het hier aangeduide innerlijke elkaar toenaderen, dat zich tussen Bijbels geloven en Grieks filosofisch vragen heeft voltrokken, is een niet alleen godsdiensthistorisch, maar ook wereldhistorisch proces van beslissend belang, dat ons ook vandaag de dag verplicht. Wanneer men deze ontmoeting beziet, is het niet verwonderlijk dat het Christendom, ondanks haar oorsprong en belangrijke ontwikkelingen in het Oosten uiteindelijk haar historische beslissende vormgeving in Europa gevonden heeft. Wij kunnen ook omgekeerd zeggen: Deze ontmoeting, waar dan later ook nog de erfenis van Rome bijkomt, heeft Europa geschapen en blijft de grondslag van wat men met recht Europa kan noemen.
De stelling dat het kritisch gezuiverde Griekse erfgoed wezenlijk tot het christelijk geloof behoort, staat tegenover de eis het Christendom te onthelleniseren, zoals die sinds het begin van de nieuwe tijd in steeds grotere mate het theologische debat beheerst. Bij nadere beschouwing kan men drie golven van het onthelleniseringsprogramma waarnemen, die weliswaar met elkaar verbonden zijn, maar in hun motiveringen en in hun doelstellingen toch duidelijk van elkaar verschillen.
De onthellenisering verschijnt voor het eerst in verbinding met hetgeen de Reformatie van de 16e eeuw bezig hield. De Reformatoren zagen zich met betrekking tot de theologische schooltraditie geconfronteerd met een geheel en al door de filosofie bepaalde systematisering van het geloof, met een om zo te zeggen ‘vreemde’ bepaling van het geloof vanuit een niet uit het geloof voortkomende denkwijze. Het geloof verscheen daarbij niet meer als een levend historisch woord, maar opgenomen in een filosofisch systeem. Het sola scriptura zoekt daartegenover de zuivere oergestalte van het geloof, zoals het in het Bijbelse woord oorspronkelijk aanwezig is. Metafysiek lijkt een voorgegevenheid te zijn van elders, waarvan men het geloof moet bevrijden opdat het weer helemaal zichzelf kan zijn.
In een voor de Reformatoren niet te voorziene radicaliteit heeft Kant met zijn uitspraak, dat hij het denken terzijde heeft moeten schuiven om het geloof een plaats te geven, vanuit ditzelfde programma gehandeld. Hij heeft daarbij het geloof uitsluitend verankerd in de praktische rede, en het de toegang geweigerd tot het geheel van de werkelijkheid.
De liberale theologie van de 19e en 20e eeuw bracht een tweede golf in het programma van de onthellenisering met zich mee, waarvan Adolf von Harnack de meest opvallendste representant is. In de tijd dat ik studeerde alsmede in de eerste jaren van mijn academische werkzaamheid was dit programma ook binnen de katholieke theologie krachtig aan het werk. Pascals onderscheiding tussen de God van de filosofen en de God van Abraham, Isaac en Jakob diende daarvoor als uitgangspunt. Bij mijn inaugurale rede in Bonn van 1959 heb ik geprobeerd mijn standpunt in deze te bepalen, en dit alles zou ik hier niet willen hernemen. Wel zou ik minstens in het kort willen proberen het typisch nieuwe van deze tweede golf van onthellenisering duidelijk te maken tegenover de eerste.Als kerngedachte komt bij Harnack de terugkeer tot de eenvoudige mens Jezus en tot zijn eenvoudige boodschap naar voren, die nog vóór alle theologiseringen en juist ook vóór alle helleniseringen zou liggen: deze eenvoudige boodschap zou het werkelijke hoogtepunt vormen van de godsdienstige ontwikkeling van de mensheid. Jezus zou afscheid genomen hebben van de eredienst ten gunste van de moraal. Hij wordt uiteindelijk als de vader van een mensvriendelijke morele boodschap voorgesteld.

Daarbij gaat het Harnack in wezen dáárom, het Christendom weer in overeenstemming te brengen met de moderne rede, juist door het van de schijnbare filosofische en theologische elementen, zoals bijvoorbeeld het geloof in de godheid van Christus en in de drie-eenheid van God, te bevrijden. In zoverre voegde de historisch-kritische uitleg van het Nieuwe Testament, zoals hij het zag, de theologie weer opnieuw in de wereld van de universiteit in: theologie is voor Harnack wezenlijk historisch en daardoor streng wetenschappelijk. Wat zij langs de weg van de kritiek aan kennis oplevert over Jezus, is om zo te zeggen uitdrukking van de praktische rede en daarmee ook verdedigbaar in het geheel van de universiteit.

Op de achtergrond staat de moderne zelfbeperking van de rede, zoals deze in de Kritieken van Kant haar klassieke uitdrukking heeft gevonden, maar intussen door het natuurwetenschappelijk denken verder werd geradicaliseerd. Deze moderne opvatting over de rede berust, om het verkort te zeggen, op een door het technische succes bevestigde synthese tussen Platonisme (Cartesianisme) en empirisme. Aan de ene kant wordt de mathematische structuur van de materie, om zo te zeggen, voorondersteld aan haar innerlijke rationaliteit, wat het mogelijk maakt haar in haar werking te begrijpen en te gebruiken. Deze fundamentele vooronderstelling is, om zo te zeggen, het platonische element in het moderne begrip van de natuur. Aan de andere kant gaat het om de mogelijkheid de natuur te functionaliseren voor onze doeleinden, waarbij de mogelijkheid tot verificatie of falsificatie in het experiment pas de beslissende zekerheid geeft. Het gewicht tussen de beide polen kan al naar gelang aan de ene of de andere kant liggen. Een zo streng positivistische denker als J. Monod heeft zichzelf een overtuigde platonist genoemd.

Dit brengt twee basisoriënteringen met zich mee die voor onze vraag van beslissend belang zijn:Alleen de uit het samenspel tussen mathematica en empirie voortkomende vorm van zekerheid laat toe van wetenschappelijkheid te spreken. Wat wetenschap wil zijn, moet zich aan deze norm houden. Zo probeerden dan ook de menswetenschappen zoals geschiedenis, psychologie, sociologie, filosofie, deze canon van wetenschappelijkheid te benaderen.

Maar belangrijk voor onze overwegingen is bovendien dat die methode als zodanig de godsvraag uitsluit en deze een onwetenschappelijke of voorwetenschappelijke vraag laat lijken. Daarmee staan we echter voor een verkorting van de reikwijdte van wetenschap en rede, die ter discussie gesteld moet worden.

Daarop zal ik terugkomen. Ondertussen moet worden geconstateerd dat, bij een vanuit dit gezichtspunt ondernomen poging om theologie “wetenschappelijk” te maken, van het Christendom slechts een armzalig fragment overblijft. Maar we moeten méér zeggen: wanneer alleen hierin de hele wetenschap bestaat, dan wordt de mens zelf daarbij tekort gedaan. Want de eigenlijke menselijke vragen, die naar waar we vandaan komen en waarheen we gaan, de vragen van de godsdienst en de ethiek, kunnen dan niet plaats vinden in het kader van een gemeenschappelijke, door de zo verstane “wetenschap” omgeschreven rede, en moeten dan naar het terrein van het subjectieve worden verplaatst. Het subject beslist op basis van zijn ervaringen, wat hem religieus aanvaardbaar lijkt en het subjectieve “geweten” wordt uiteindelijk de enige ethische instantie. Maar zo verliezen ethiek en godsdienst hun gemeenschapsvormende kracht en raken overgeleverd aan de willekeur. Voor de mensheid is deze toestand gevaarlijk. Dat zien we aan de ons bedreigende pathologieën van de godsdienst en van de rede, die noodzakelijk moeten uitbreken, waar de rede zo beperkt wordt, dat de vragen over godsdienst en ethiek niet meer tot haar bereik horen. Wat er aan ethische pogingen overblijft vanuit de wetten van de evolutie of van de psychologie en sociologie, is gewoon niet toereikend.
Voordat ik bij de conclusies kom, waar ik met dit alles naar toe wil, moet ik nog kort de derde golf van onthellenisering aangeven, zoals deze nu rondgaat. In het kader van de ontmoeting met een veelheid aan culturen zegt men tegenwoordig graag dat de synthese met het Griekse gedachtegoed (das Griechentum), zoals die zich in de oude Kerk voltrokken heeft, een eerste inculturatie is geweest van het christelijke, waarop men de andere culturen niet mag vastleggen. Zij zouden het recht moeten hebben, terug te gaan naar vóór deze inculturatie, naar de eenvoudige boodschap van het Nieuwe Testament, om deze dan ieder in de eigen culturele ruimte opnieuw te incultureren.Deze stelling is niet zomaar fout, maar zij is te grof en onnauwkeurig. Want het Nieuwe Testament is in het Grieks geschreven en draagt in zichzelf al de ontmoeting met de Griekse geest, die in de daaraan voorafgaande ontwikkeling van het Oude Testament gerijpt was. Natuurlijk zijn er lagen in het ontwikkelingsproces van de oude Kerk, die niet in alle culturen opgenomen moeten worden. Maar de fundamentele beslissingen, die juist de samenhang betreffen van het geloof met het zoeken van de menselijke rede, horen bij dit geloof zelf en zijn er de bij dit geloof passende ontvouwing van.

Daarmee kom ik aan mijn afronding. De zojuist in zeer grove trekken gepoogde zelfkritiek van de moderne rede, sluit in het geheel niet de opvatting in, dat men nu weer terug zou moeten gaan naar vóór de Verlichting en afstand zou moeten nemen van de inzichten van de moderne tijd. Het grootse van de moderne ontwikkeling van de geest wordt onverkort erkend. Wij allen zijn dankbaar voor de grote mogelijkheden, die zij de mensen ontsloten heeft en voor de vorderingen in menselijkheid die ons geschonken zijn.De ethiek van de wetenschappelijkheid – u heeft er op gewezen, Rector Magnificus – bestaat trouwens in de wil tot gehoorzaamheid tegenover de waarheid, en is in zoverre uitdrukking van een grondhouding, die tot de wezenlijke besluiten van het christelijke behoort. Het gaat niet om het intrekken daarvan, er is geen negatieve kritiek bedoeld, maar het gaat om een uitbreiding van het begrip en gebruik van de rede. Want bij alle vreugde over de nieuwe mogelijkheden van de mens zien we ook de bedreigingen, die uit al deze mogelijkheden opkomen, en we moeten ons afvragen, hoe wij die kunnen beheersen.

We kunnen dit alleen wanneer rede en geloof zich op een nieuwe wijze met elkaar verzoenen; wanneer wij de zelf opgelegde beperking van de rede tot het in experimenten falsifieerbare kunnen overwinnen en de rede weer haar gehele reikwijdte ontsluiten. In deze zin behoort de theologie niet alleen als een historische- en menswetenschappelijke discipline tot de universiteit, maar hoort zij als eigenlijke theologie, als vragen naar de rede van het geloof, deel te nemen aan de brede dialoog van de wetenschappen.

Alleen zo zullen wij in staat zijn tot die werkelijke dialoog met de culturen en godsdiensten waaraan wij zo dringend behoefte hebben. In de Westerse wereld heerst wijd en zijd de mening, dat alleen de positivistische rede en de bij haar horende vormen van filosofie universeel zouden zijn. Maar door de diep religieuze culturen in de wereld wordt juist deze uitsluiting van het goddelijke uit de universaliteit van de rede als een aanval gezien op haar diepste overtuigingen. Een rede die doof is tegenover het goddelijke en die godsdienst naar het bereik van de subculturen verdringt, is niet in staat tot een dialoog van de culturen.Daarbij draagt, zoals ik probeerde aan te tonen, de moderne natuurwetenschappelijke rede, met de in haar opgenomen platonische elementen, een vraag bij zich, die over haar en haar methodische mogelijkheden heen wijst. Zelf moet zij namelijk de rationele structuur van de materie, zoals de overeenstemming tussen onze geest en de in de natuur heersende rationele structuren, eenvoudigweg als gegeven aannemen, waarop haar eigen methodische weg gebaseerd is. Maar de vraag waarom dit zo is, die bestaat en moet door de natuurwetenschappen doorgegeven worden aan andere niveaus en manieren van denken – aan filosofie en theologie.

Voor de filosofie en op een andere manier voor de theologie is het luisteren naar de grote ervaringen en inzichten van de godsdienstige tradities van de mensheid, in het bijzonder echter naar die van het christelijke geloof, een bron van kennis, en daarvan afzien zou een ontoelaatbare beperking zijn van ons luisteren en antwoorden. Mij komt daarbij een woord in herinnering van Socrates aan Phaedo. In voorafgaande gesprekken had men het over veel valse filosofische meningen gehad, en nu zegt Socrates: Het zou heel goed te begrijpen zijn dat iemand, uit boosheid over zoveel valsheden, zijn hele verdere leven ieder spreken over het zijn zou haten en verafschuwen. Maar op deze manier zou hij de waarheid van het zijnde gaan verliezen en een heel grote schade lijden.

Het Westen wordt al geruime tijd door zo’n afkeer van de fundamentele vragen van zijn rede bedreigd en zou daardoor ernstige schade kunnen oplopen. Moed tot de reikwijdte van de rede, geen ontkenning van haar grootte – dat is het programma, waarmee een aan het Bijbelse geloof verplichte theologie het huidige debat aangaat. “Niet met rede, niet met de Logos, handelen is strijdig met het wezen van God”, heeft Manuel II vanuit zijn christelijke Godsbeeld tot zijn Perzische gesprekspartner gezegd. In de dialoog van de culturen nodigen wij onze gesprekspartners uit deze grote ruimte van de Logos, deze weidse ruimte van de rede te betreden. Haar zelf steeds weer opnieuw te vinden, is de grote opgave van de universiteit.

 


De ‘Schüler Kreis’ van de paus neemt het evolutie-schepping-debat bij de kop

0 comments

Castel-Gandolfo1John Allen, een vooraanstaand Amerikaans Vaticaan-kenner, bespreekt in een artikel in de National CatholicReporter, de op handen zijnde bijeenkomst van de ‘Schüler Kreuz’, de informele jaarlijkse studiebijeenkomst-retraite van Joseph Ratzinger, nu paus Benedictus XVI, met zijn oud-studenten vaar voor de tijd dat hij in 1977 aartsbisschop van München-Friesing werd benoemd door paus Paulus VI en later door Johannes Paulus II naar Rome geroepen werd om in 1981 de Congregatie van de Geloofsleer, het doctrinaire departement van de paus, te gaan leiden om uiteindelijk hoofd van de Katholieke Kerk te worden gekozen in 2005. Direct nadat kardinaal Ratzinger tot paus werd gekozen gaf hij aan ook ion deze functioe met deze bijeenkomsten door te willen gaan. In het jaar 2006 stond evolutie en schepping op als thema op het programma. John Allen bespreekt de genodigde sprekers en de positie die Benedictus XVI al voordat hij paus werd innam in deze discussie tussen geloof en wetenschap.     

(more…)


Next Entries »